Bestuurdersaansprakelijkheid

De wet en de statuten van de rechtspersoon bepalen wie er primair met de taak van het handelen namens de rechtspersoon is belast, en wie de vennootschap kan vertegenwoordigen. Dat is het bestuur van de rechtspersoon en, voor wat het laatste betreft ook in beginsel iedere bestuurder. Zij die rechtshandelingen plegen namens de rechtspersoon verbinden in beginsel dus niet zichzelf maar de rechtspersoon die zij besturen. Toch kan uit die handelingen een aansprakelijkheid van die bestuurder in persoon voortvloeien. Er is dan sprake van bestuurdersaansprakelijkheid.

Twee wettelijke vermoedens

In de wet zijn twee wettelijke vermoedens van bestuurdersaansprakelijkheid opgenomen: niet voldoen aan de boekhoudplicht en de verplichting tot openbaarmaking van de jaarrekening binnen twaalf maanden na afloop van het boekjaar niet nakomen.

Weerleggen van bewijsvermoedens

Het weerleggen van deze twee bewijsvermoedens kan geschieden doordat de aangesproken bestuurder aannemelijk maakt dat sprake is van een onbelangrijk verzuim niet zijnde een oorzaak van het faillissement. Ook kan de bestuurder aantonen dat andere feiten of omstandigheden dan de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. Daarnaast bepaalt de wet dat niet aansprakelijk is de bestuurder die bewijst dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur niet aan hem te wijten is, en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden.

Behoorlijk vervullen taak

De vraag of een bestuurder zijn taak niet behoorlijk heeft vervuld, moet worden beoordeeld naar hetgeen de bestuurder voorzag of kon voorzien op het moment dat hij zijn taak vervulde. Daarnaast is van belang dat geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus gehandeld zou hebben.

Contact

Wilt u meer weten wat wij ingeval van bestuurdersaansprakelijkheid voor u kunnen betekenen? Neem contact op met een van onze specialisten.